zaterdag 17 november 2012

Het woord is aan u

'Hoe kom je toch altijd aan ideeën voor je stukjes?'
             'Is het niet lastig om steeds weer wat te verzinnen?'
                                'Oh, dit zou zeker een verhaal voor je blog zijn!'

Wie aan een blog begint, weet dat er geen ontkomen aan is: Er moeten stukken geschreven worden. Niet zomaar incidenteel af en toe een grappig verhaaltje, maar met regelmatig (zo'n eenmaal per week) goed geschreven berichtgevingen die het liefst ook nog eens ergens over gaan. Lezersbinding heet zoiets.

Nu heb ik voor inspiratie van mijn stukken nooit om onderwerpen verlegen te hoeven zitten. Vaak is het slechts een kwestie van goed om je heen kijken, goed luisteren en de mogelijkheden zien om van iets kleins een mooi verhaal te creëren. Soms komen deze verhalen gewoon spontaan naar je toe (denk aan de klusjesman die naast het onderhoud van de ketel ook meteen zijn onderhoudende mening over vrouwen, homoseksuelen en de politiek gaf). Soms moet ik er wat langer voor gaan zitten. 'Schrijfspiratie' komt lang niet altijd vanzelf. Maar hoe veel of weinig ideeën er ook op mijn pad komt, uiteindelijk komt er altijd wel weer een verhaal bovendrijven.


Nu is een blog vaak erg persoonlijk. Niet zo vreemd als je weet dat het woord 'blog' staat voor 'een soort dagboek dat iemand bijhoudt op een website'. Ik schrijf hier over zaken die mij bezighouden, dingen waar ik me druk over maak, of waar blij van word, me aan erger, over verbaas, meemaak, lees, hoor...

Ja, en dan kan het wel eens voorkomen dat bepaalde verhalen gaan over mensen waar ik mee samenleef, mee bevriend ben, of die ik tijdens een onverwachte ontmoeting in de trein tegenkom. De beste verhalen liggen namelijk meestal vlak voor je neus. Vriendinnen die speciaal werpboeketten laten maken voor hun bruiloft en zich hysterisch druk maken om een pen bij het gastenboek, vragen er gewoon om 'slachtoffer' te worden en als hoofdpersoon te schitteren in een van mijn verhalen. Met gefingeerde namen uiteraard, dat dan weer wel.

Zoveel mensen, zoveel verhalen. Zoveel gebeurtenissen, zoveel blogposts. Zeventig posts om precies te zijn. Zeventig verhalen door mij 'bedacht' en door mij geschreven. Erg leuk natuurlijk. Maar...zou het nou niet eens leuk zijn als ook jullie, als lezers van dit blog, een keer mogen kiezen? Dat jullie degenen zijn die bepalen waar het volgende verhaal over gaat? Wel zo sympathiek natuurlijk, om in al dit eenrichtingsverkeer ook de lezer het woord eens een keer te geven.

Want waar zouden jullie nou graag over willen lezen? Daar ben ik stiekem best wel benieuwd naar. Wat heb je meegemaakt, wat valt je op, waar ben je mee bezig, wat vind je leuk, welk onderwerp moet nu echt een keer aangekaart worden? Wil je iets lezen over de honger in Afrika, of liever iets kwijt over je bijna negentig jarige oma die maar niet kan stoppen met breien? Leuk, gek, simpel, raar. Persoonlijk of politiek. Het maakt niet uit, alles kan. Het woord is bij deze aan jullie!

Het enige dat je hoeft te doen is hieronder een reactie achter te laten. Geef jouw onderwerp voor een blogverhaal door en, wie weet, kan je het resultaat volgende week teruglezen op deze site!



donderdag 8 november 2012

Caviamania

Sinds kort ben ik de trotse 'moeder' van twee schattige baby caviaatjes. Een lang gekoesterde wens, die met het vooruitzicht van een groter huis werkelijkheid werd. Toen ik ze in de etalage van de dierenwinkel zag zitten wist ik het meteen: die twee neem ik mee. Joep & Ernie. De nieuwe mannen in mijn leven.



Het is niet mijn eerste ervaring met het caviamoederschap. Ooit heb ik al eerder twee guinese biggetjes van Sinterklaas mogen ontvangen. Nouja, eentje was volgens zwarte piet van mijn zusje, maar aangezien die het gepiep (en het gepoep - met bijbehorende schoonmaak taken) al snel zat was, duurde het niet lang voordat ik mij over beide beestjes mocht ontfermen.

Nu druk ik bezig ben met mijn tweede leg op te voeden, blijkt dat er in 15 jaar veel kan veranderen in caviaverzorgingsland. Niet alleen mijn eigen opvattingen over het moederschap zijn veranderd, ook de voorschriften over hoe je je cavia het meest gelukkig kan laten wezen blijken ineens een hele andere wending te hebben genomen. De tijd dat een knaagdier alleen nog maar tevreden was met eten, water, een schoon hok en af en toe een aai over zijn bol, lijkt te behoren tot een ver en donker verleden. Een cavia stop je niet zomaar in een hokje, daar moet je eerst grondig vooronderzoek naar doen.

Zo kwam ik erachter dat het gebruik van zaagsel tegenwoordig een erg groot taboe blijkt te zijn. Deze houtsnippers - waarvan ik als kind niet beter wist dan dat dit de enige optie was om de kooi mee te bedekken - zijn namelijk erg stoffig en daar kunnen de tere longetjes van de cavia's niet tegen. Nee, beter kun je gebruik maken van zogenaamd bedding of happy hennepvezel, aldus de meneer van de dierenwinkel. Blije (en wellicht ietwat stonede) cavia's gegarandeerd!

Wie nog moderner en vooruitstrevender wilt zijn, laat al die opstuivende bodembedekkers helemaal voor wat ze zijn en kiest voor de opvoedkundig verantwoorde 'fleece-methode'. Niks geen hooi, hennep of zaagsel, maar een zachte bodem van handdoeken en veel, heel veel fleecedekentjes! Lastig om te verschonen? Volgens de vele instructievideo's van caviamoeders op youtube niet!



Maar alleen met bodembedekking ben je er natuurlijk nog niet. Naast zachte pootjes en schone longetjes willen cavia's natuurlijk ook een beetje kunnen bewegen. Een standaard caviakooi is hier uiteraard niet geschikt voor, dus vandaar dat de meeste moeders tegenwoordig kiezen voor een zelfgemaakte constructie of een heuse caviaflat! Dat ik die twee van mij bij gebrek aan een kooi in eerste instantie tijdelijk in twee boodschappenkratten heb gezet, laat ik de cavia-opvoedpolitie maar niet horen.

Je kan het de cavia zo luxe en gek maken als je maar wilt. Van hooi met een smaakje tot knaagdierveilige snackmuffins. Of wat dacht je van luieren in een houten huisje, zachte hangmat of met dons gevoerde tipi? Zelfs het caviavoer is niet meer wat het geweest is en komt tegenwoordig met extra toevoegingen en mineralen (en bijbehorende kosten uiteraard).

Maar hoe buitensporig en over the top sommige dingen ook mogen zijn, als moeder wil je uiteindelijk toch het beste voor je kind. En tja, als daarvoor speciaal voer moet kopen en zaagsel moet vervangen door hennep, dan doe je dat natuurlijk graag. Niets maakt een moederhart immers gelukkiger dan haar jongens te zien opgroeien als vrolijke, sterke en gezonde mannen.

Dus ja, ik geef toe. Ook ik ben gezwicht aan de caviamania. De caviaflat mag er dan misschien (nog) niet zijn, maar de (zelfgemaakte) hangmat wordt inmiddels volop gebruikt. Met gewoon hooi, dat dan weer wel.




donderdag 1 november 2012

Zingen met hart en ziel

"Iedereen kan zingen. In Afrika wordt overal gezongen. Hele dorpen zingen liederen met elkaar. Er is daar niemand die zegt: 'Jantje kan niet zingen'. Hoogstens hoor je mensen zeggen: 'Klaas kan wel heel erg mooi zingen'. Zingen hoort bij de Afrikaanse cultuur en wordt altijd en overal gedaan. Niet kunnen zingen is voor de mensen daar een onbekend iets. Het wordt tijd dat die gedachte ook hier doordringt."

Het is donderdagavond kwart over acht. Samen met veertien anderen zit ik in een kring in een zaal van de volksuniversiteit. Nog een beetje zenuwachtig kijkt iedereen om zich heen. Vanavond is namelijk de eerste les van onze cursus 'Zingen met hart en ziel'. Zojuist hebben we een klein voorstelrondje gedaan. Vier mannen en elf vrouwen gaan de komende vijf weken met volle overtuiging de longen uit hun lijf zingen. Alhoewel, met volle overtuiging?


Zingen is eng. Zingen is eng en bijna niemand kan het. Tenminste, als je uitspraken van mijn mede-cursisten moet geloven. Hoewel er een paar zijn die al in een koor zingen ("Gewoon als achtergrond hoor! Geen solo"), blijkt het merendeel zich vooral te hebben ingeschreven om eindelijk eens af te rekenen met hun zing-angst en melodiedrempels.

"Mijn kinderen zeggen dat ik vals zing"
"Mijn juffrouw vroeg vroeger altijd of het iets minder kon"
"Ik heb eigenlijk nog nooit echt durven zingen"

Bovenstaand is slechts een kleine greep van de zangtrauma's die tijdens het voorstelrondje voorbij kwamen. Allemaal mensen die het leuk vinden om te zingen, maar door opmerkingen uit hun omgeving (niet meer) durven. Of alleen nog maar onder de douche.

Zelf heb ik niet echt een trauma te verwerken wat betreft zingen. Maar ik merk ook dat ik naarmate ik ouder wordt steeds vaker een drempel over moet. Daar waar ik als klein meisje altijd vooraan stond om een liedje voor de juf te zingen of het hele repertoire van Kinderen voor Kinderen bij elkaar te galmen, kijk ik nu wel uit voordat ik mijn keel openzet. Zingen is immers iets waar alleen de echt getalenteerden zich aan mogen wagen. Toch?

En dat was het punt waarop onze zangleraar ingreep en ons het verhaal over de zingende Afrikanen vertelden. Zingen gaat niet om goed of slecht. Zingen gaat om plezier hebben, je hart luchten en muziek maken met elkaar. Ja, natuurlijk zal de een wat mooier of bijzonderder kunnen zingen dan de ander, maar dat betekent niet meteen dat jij niet kunt zingen.
Wees niet bang voor valse noten, hoge tonen of gekke ritmes. Zet je gedachten heel even uit en zing alsof je niet anders kan. Zingen is gezond en maakt bovendien erg vrolijk. Zonde toch om daar dan niets mee te doen!

En dus gingen we aan de slag. De stoelen werden aan de kant geschoven, de muziek werd gestart, en na een paar aarzelende eerste klanken zong iedereen uit volle borst: "Morokenie wa kwe tu, Morokenie. Morokenie, wa kwe tu." Een Afrikaans welkomstlied. Toepasselijker had onze leraar het niet kunnen kiezen.

Twee uur laten stap ik op de fiets. Met melodieën in mijn hoofd en liedjes op mijn tong. Al hummend en zingend fiets ik naar huis. Daar aangekomen moet ik nog minstens een half uur 'uitstuiteren' voordat ik rustig naar bed kan gaan. Het is waar: van zingen word je vrolijk en krijg je energie. Niet zo gek dus dat die Afrikanen dat de hele dag door doen. Het wordt tijd dat ook in Nederland meer gezongen wordt.





donderdag 25 oktober 2012

Baby you can't drive my car

Parachutespringen, bungeejumpen, diepzeeduiken, abseilen, rotsklimmen...

Wanneer je mensen vraagt naar hun lijstje met meest enge activiteiten, dan zijn bovenstaande bezigheden vaak de eerste dingen die genoemd worden. Wanneer ik echter kijk naar mijn lijstje, dan zie ik daar heel iets anders bovenaan staan. Niet de hoogte, de diepte, het koord of de zuurstoffles zijn het die mij angstige zweethandjes geven. Nee, het is een doodsimpele, alledaagse, veelvuldig uitgevoerde handeling, waar ik al een aantal jaar voor probeer te vluchten, maar waarvan ik mijn angst ervoor nu toch echt onder ogen zal moeten zien.



Autorijden.
Het is op zijn zachtst gezegd niet mijn grootste hobby.
Daar waar de meeste leeftijdsgenootjes al voor hun achttiende stonden te trappelen om achter het stuur te kruipen, zag ik er nog niet echt het nut van in om zelf de weg onveilig te maken. In plaats van een rijbewijs kocht ik liever een vliegticket en liet ik mij met de Greyhound-bus door Australië en Nieuw Zeeland rijden om mijn eigen lijstje van extreme activiteiten af te werken.

Op mijn eenentwintigste kon ik er dan echter toch niet omheen. Het duikbrevet mocht ik dan inmiddels al een aantal jaar op zak hebben, van dat rijbewijs was ondertussen nog steeds niks gekomen. En tja, aangezien zo'n papiertje toch een beetje bij je status als 'volwassene' hoort, zat er ook voor mij niets anders op om een rijschool te zoeken en rijles te nemen.

Nou, dat heb ik geweten. Dacht ik in eerste instantie nog dat mijn rij-ontwijkende gedrag gewoon te wijten was aan simpele desinteresse, eenmaal achter het stuur bleek dat ik al die jaren onbewust al wist dat deze vorm van voortbewegen niet aan mij besteed was.Van de allereerste les tot mijn allerlaatste examen: de uitspraak 'voel je één met de auto' heb ik helaas nooit in werkelijkheid mogen ervaren.

Dat ik, toen ik na drie keer eindelijk het papiertje had (dankzij een examinator met medelijden), meteen weer voor een half jaar naar het buitenland vertrok, hielp ook niet mee om mijn rijvaardigheid te vergroten. Het rijbewijs was dus misschien wel 'in the pocket', maar daarmee meteen ook héél diep weggestopt!

En zo kwam het dat ik als 'roze pasje bezitster' uitgroeide van iemand die niet graag reed, naar iemand die gewoon simpelweg helemaal niet meer reed. In de auto zitten vond ik prima (ik ben een van de beste en meeste makkelijke bijrijders die je kunt hebben, al zeg ik het zelf), maar zodra ik zelf achter dat stuur moest kruipen...



Een klein lichtpuntje kwam toen ik een vriendje kreeg met een auto. Een oud, klein bakkie en bovendien een automaat. Wat een verademing! Niks geen afslaande motoren of klungelen met de pook. Gewoon remmen, gas geven en sturen. Waarom kunnen niet alle auto's zo gebouwd zijn?

Maar automaat of geen automaat. Stiekem weet ik ook wel dat ik mijn angst niet alleen daarop kan afschuiven. Feit is dat door mijn eigen schuld (lees: kop in het zand) het autorijden beetje bij beetje steeds meer naar boven is geschoven op mijn 'enge dingen lijstje'. Het is net als bungeejumpen. Des te langer je op de afgrond blijft staan en er over na blijft denken, des te enger het wordt. Niet denken moet je, maar doen! Inademen, afzetten en springen!

En dus sta ik hier. Aan de afgrond. Mijn adem stokt, maar ik wil het toch. Ik ben er klaar mee namelijk. Klaar om dat 'bange rijwijf' te zijn, klaar met het verzinnen van smoesjes ('Nee joh, ik fiets juist graag in de regen!'), klaar met afhankelijk zijn en klaar met de schaamte voor mijn rij-angst.

De komende drie maanden hebben we een auto te leen (de smoes van 'we hebben geen auto' gaat bij deze dus al niet meer op) en het wordt tijd dat ook ik daarin ga rijden.
Komende zondag is het zover. Hoewel ik liever zou gaan parachutespringen of bungeejumpen, is vriendje onverbiddelijk. We gaan de auto in. Of beter gezegd: ik ga de auto in.

In gedachten adem ik alvast in. Niet denken, niet miepen, maar rijden. Het industrieterrein lijkt ons een veilig startpunt. Nu maar hopen dat ze het elastiek ook goed ingesteld hebben!



donderdag 11 oktober 2012

De wereld door een roze bril

Ik houd van kleur.
Vanaf het eerste moment dat ik als klein meisje zelf de kleur van mijn kamer mocht bepalen, heb ik het palet van de regenboog als letterlijke leidraad genomen. Het begon met mintgroen en zacht lila en daarna zijn bijna alle kleuren wel de revue gepasseerd.

Nooit heb ik begrepen waarom mensen zich het liefst in een (al dan niet gebroken) wit interieur willen begeven. In de woontijdschriften die ik bekijk komt altijd dezelfde beweegreden naar voren: 'Wit is zo heerlijk rustig en rustgevend'. Rustgevend. Ik krijg bij dit soort interieurs altijd eerder het gevoel van een steriel ziekenhuis of een anonieme hotelkamer. Wie zou daar nou permanent willen wonen? Nee, doe mij maar een likje golvend blauw en  spiritueel paars. Daar word ik nou zen van.


Hoe meer kleur, hoe beter. Het was dan ook niet zo vreemd dat toen vriendje en ik te horen kregen dat we een nieuw huis zouden krijgen, ik meteen aan de slag ging met het bedenken van een passend kleurenpalet. Paars en mosterdgeel in de woonkamer, azuurblauw in de keuken, geel op de overloop en donkerblauw met fuchsia op de slaapkamer. Een geslaagde combi al zeg ik het zelf, hoewel ik bij het vertellen van dit plan aan anderen toch regelmatig opgetrokken wenkbrauwen krijg. 'Ehm, paars en geel; zou je dat nou echt doen?' of 'Goh, wat een ehh..vrolijk huisje zal dat worden!'

Nu is het op zich niet zo gek dat ik met al die kleuren aankom (de meeste vrienden van mij zijn inmiddels wel wat gewend). Het punt waar mensen zich het meeste over lijken te verbazen, is dat ik niet alleen in dit huis ga wonen, maar samen met mijn vriendje. Een echte man, die - zoals mannen betaamt - houdt van auto's en muziek, maar in dit geval dus ook van kleur!
Mijn beste vriendinnetje wilde het in eerste instantie niet geloven. Ze dacht dat vriendje zich gewoon door mij om liet praten en het allemaal wel best vond. Welke man kiest er immers nou zelf voor een combinatie mostergeel en azuurblauw? Laat staan dat fuchsia roze in de slaapkamer! Manipulatie was het. Manipulatie met wellicht een vleugje doofstom en kleurenblind.

Maar lieve mensen, ik kan jullie verzekeren, er is in dit geval geen manipulatie in het spel geweest. Ja, als hoofd van de commissie inrichting ben ik degene geweest die de kleurenkaartjes zorgvuldig bij de bouwmarkt heeft geselecteerd. Maar ik kan u verzekeren: lang niet alle keuzes zijn meteen door de ballotage van vriendje heen gekomen. Meneer houdt immers wel van kleur, maar heeft daar ook zeker zo zijn mening over.

En dus zit ik nu, met mijn laptop op schoot, op een donkerpaarse bank, tegen een mosterdgele muur en voor mij nog wat ruimte voor twee bijzettafeltjes. In ons vorige huis waren de tafeltjes rood. Gisteren vroeg ik aan vriendje wat een betere kleur voor bij ons nieuwe interieur zou zijn. Groen? Blauw? 'Wat dacht je anders van roze?', zei vriendje opeens. 'Je weet wel, van dat toffe oudroze. Ik denk dat die kleur wel goed in de woonkamer past.'

Roze. Dat ik daar zelf nou niet aan heb gedacht! Ik denk dat ik maar eens wat verfblikken ga halen.