vrijdag 13 mei 2011

Kinderen voor Kinderen (syn)droom

Sinds ik dit blog ben gestart heb ik al verschillende bekentenissen gedaan. Zo is mijn zwak voor de Xenos aan het licht gekomen, heb ik uitgebreid gesproken over mijn voorliefde voor mannen met borsthaar en kon het niemand zijn ontgaan zo af en toe best een beetje van gluren houd (op de niet perverse manier dan hè!).
En ach, nu we toch bezig zijn, kan er best nog wel een bekentenis bij.
Degene die mij goed kennen zullen het wellicht al weten. Degene die mij een beetje kennen zullen het misschien wel vermoeden (of er in ieder geval niet verrast door zijn). En van degene die mij totaal niet kennen, hoop ik dat ze in sommige gevallen zullen zeggen: 'Hé, zo eentje ben ik er ook!'. Ik kan immers niet de enige zijn (toch?).
Maar laat ik er geen doekjes om winden. Ik heb het lang genoeg voor me gehouden. Bij deze beken ik met volle overgave: Ik ben een Kinderen voor Kinderen meisje. (Zo, dat is eruit).


Kinderen voor Kinderen. Al vanaf dat ik een jaar of twee was ben ik groot fan. Net in staat om te praten en te lopen, werd bij ons thuis al de eerste plaat op gezet. En ik moet zeggen: het was liefde op het eerste gezicht. Al hupsend en half meezingend stond ik vrijwel dagelijks met een speelgoedmicrofoon voor de platenspeler om met onverslaanbare hits mee zingen als 'Op een onbewoond eiland' en 'Ik heb zo wa-wa-wa-waanzinnig gedroomd'. Plaat na plaat werd grijsgedraaid en was duidelijk dat het koor met brave kinderkes in mooie pakjes een onweerstaanbare aantrekkingskracht had op mij.

Eenmaal wat ouder en in staat om enigzins fatsoenlijk te dansen en gehele teksten uit mijn hoofd mee te zingen, werd mijn obsessie voor het Gooise kinderkoor eigenlijk alleen nog maar groter. Ik wilde niet meer alleen meezingen, nee, ik wilde echt meedóén! Niet meer dansen voor de spiegel of de sporadische woonkamerconcerten voor mijn ouders. De tijd van onzichtbare fan was voorbij. Ik wilde zelf een Kinderen voor Kinderen meisje worden.

Hoeveel brieven ik richting Hilversum heb geschreven weet ik niet, maar geloof me, het zijn er behoorlijk wat. Net zoals de afwijzingen die ik steeds weer binnenkreeg. Ik was blijkbaar niet het enige meisje dat de droom had om al jong een soort van ster te worden. Uiteindelijk ben ik zelfs nooit uitgenodigd om op auditie te komen. Misschien maar goed ook. In mijn dromen zong ik namelijk wel de sterren van de hemel; in werkelijkheid zong ik eerder de sterren in de ruiten. Bovendien ontbrak het mij aan een flinke portie Gooise 'R', dus die gemiste audities hebben mij uiteindelijk alleen maar een hoop leed bespaard.
Op het Kinderen voor Kinderen songfestival na dan. Aan dit songfestival mochten - net zoals in het echt - naast de nachtegaaltjes ook de kraaien en de meeuwen hun beste beentje voor zetten om zo goed mogelijk je favoriete KvK-hit te vertolken. Ik wil er verder niet teveel over uitweiden, maar laat ik het erop houden dat ik net als de 3J's nooit de finale heb gehaald.


Gelukkig worden kleine meisjes groot, en hoewel ik nog erg lang in mijn Kinderen voor Kinderen periode ben blijven hangen (lees: tot op de leeftijd dat mijn klasgenootjes al lang posters van de Backstreetboys boven hun bed hadden hangen of meerockte met The Offspring), durf ik inmiddels te zeggen dat ik aardig afgekickt ben. Na KvK 14 ben ik langzamerhand als die hard fan afgehaakt. Ik stuur geen brieven meer, heb geen idee bij welk album het koor inmiddels is aanbeland en 'Gemopper gemekker' zing ik alleen nog heel sporadisch samen met mijn beste vriendinnetje keihard op de fiets na het stappen.

Maar, hoe hard ik het ook zou willen proberen: eens een Kinderen voor Kinderen meisje, altijd een Kinderen voor Kinderen meisje. Noem een nummer uit het repertoire en ik kan het nog steeds woord voor woord meezingen (ik noem dit ook wel mijn 'waardeloze hersencel' - dingen die je moet onthouden, onthoud je niet, maar de gehele verzameling van KvK..geen probleem! Allemaal opgeslagen, daar diep in die grijze massa). Het zit blijkbaar in mijn DNA. Niet los te koppelen. Niets aan te doen.

En ach, af en toe is het stiekem ook wel even lekker. Als niemand kijkt, stiekem voor de spiegel.
Daarom tot besluit, nog één maal een van mijn favoriete nummers. Ik zeg: pak die bus haarlak of pollepel en laat het (kinderen voor) kind in je vrij!


woensdag 20 april 2011

Het gevoel van de Vierdaagse

De Nijmeegse Vierdaagse. Wie kent dit evenement niet? Veertigduizend wandelaars die zich vier dagen lang de blaren op de voeten lopen met 30, 40 of sommigen - de echte gekken! - wel 50 km per dag. Een week vol feest en festiviteit en waarbij de stad in twee kampen verdeel is: de wandelaars en de feestvierders.

Hoewel ik zelf redelijk sportief ben, moet ik eerlijk toegeven dat ik als Nijmeegse student de afgelopen jaren vooral de kant van de feestvierders vertegenwoordigd heb. Wonend aan de rand van het centrum, was het feestgedruis binnen handbereik en voelde ik als jonge meid meer voor het swingen op mijn dansmuiltjes, dan het voortbewegen op degelijke wandelschoenen. Liever bandjes kijken dan blaren lopen. Bovendien, wat is er als student mooier dan om 5:00 's ochtends gekke wandelaars uit te zwaaien die nog minstens 8 uur en een onmenselijk aantal kilometers voor de boeg hebben, en dan daarna zelf lekker je bedje in te kruipen? Ik kon me geen prachtigere einden aan mijn feestnachten voorstellen. Zoals gezegd: bij de Vierdaagse heb je feestvierders en wandelaars, en dat wandelen liet ik lekker aan mijn ouders over.


Tot bijna drie jaar geleden. Het was juli 2008 en de eerste dag van de Vierdaagse. Zoals gewoonlijk zat ik ergens in het centrum op het terras, waar ik mijn wandelgekke ouders bij binnenkomst zou ontmoeten voor een welverdiend drankje. Eenmaal het eerste biertje achter de kiezen, kwam daar de inmiddels beruchte vraag die mijn Vierdaagse voor dat jaar een hele andere wending zou geven: Of ik niet een keertje een dag mee wilde lopen? Eh, pardon? Ik? Met moeite probeerde ik mijn laatste slok weg te krijgen. Meelopen?! Met jullie? Maar ik heb niet getraind en heb geen wandelschoenen! Dat gaat me toch nooit lukken?
Maar het kwaad was al geschied. Deze twee wandelfanaten dulden geen nee en waren erop uit om mij uit te dagen en uit de tent te lokken. Twee biertjes later was ik om en zag ik het eigenlijk wel zitten, dat meelopen. Kon ik ook eens ervaren hoe het was daar aan de andere kant van het kamp. Niet wetende dat het andere kamp vol pijn en blaren zou zitten.

De volgende ochtend stonden ze om 6:00 voor de deur, onze Jip en Janneke op leeftijd met degelijke wandelschoenen aan. Met de slaap nog in mijn ogen pakte ik mijn rugzakje en trok ik de veters van mijn sneakers nog eens aan. De sneakers waarvan mijn moeder me nog steeds af en toe met schuin oog aankijkt ('Dat waren ook echt de minst geschikte schoenen die je had kunnen uitkiezen!') Maar goed, wat moet je anders?
Meteen met de eerste stap buiten de deur besefte ik dat dit geen plezier wandelingetje ging worden. Nee, dit was seriouss business! Alleen al op weg naar (ik herhaal: op weg náár) de start werd er al zo'n recordtempo ingezet, dat ik me afvroeg hoe dat wel niet zou zijn als we straks echt zouden gaan beginnen. Het beetje moed dat ik had zakte me al snel in mijn wandelongeschikte schoenen.


Gelukkig bleek het eenmaal gestart allemaal best mee te vallen. Met meerdere gekken sta je sterk en eigenlijk liep ik de eerste kilometers best lekker. Zelfs dat het de eerste paar uur een beetje miezerde leek me niet te deren. Ik genoot van de sfeer, de mensen en begon er zowaar een beetje plezier in te krijgen. We passeerden het 10km punt, het 20km punt en nog steeds was er niets aan de hand. Zelfs de escape van het station halverwege liet ik moeiteloos aan me voorbij gaan. Nee, mij zouden ze er niet onder krijgen. Niks met de trein terug naar Nijmegen, ik zou ze eens bewijzen wat ik waard was!
Maar 40km is ver. Vooral als je slechte schoenen aan hebt en niet bent getraind. Tel daarbij op dat Jip en Janneke niet echt aan pauzes deden (één maal een kwartier, waarbij ik amper de tijd had om even fatsoenlijk een boterham te eten), en je kunt wel raden hoe ik mij voelde op het 30km punt: KAPOT! Ik begon spieren te voelen waarvan ik het bestaan niet eens af wist en werd geteisterd door blaren die in kleine legertjes mijn tenen in beslag namen. Hoe ik de laatste tien kilometer ben doorgekomen weet ik niet meer precies, maar ik weet dat het lang, héél lang duurde voordat we eindelijk konden en mochten gaan zitten. Nog nooit voelde het uittrekken van mijn schoenen zo fijn en smaakte een welverdiend biertje zo lekker. Ik had het gehaald en daar zouden mijn kleine tenen mij nog een aantal weken aan blijven herinneren. Eerst als blaar en later in de vorm van vallende teennagels. Ik heb ruim een week geen fatsoenlijke schoenen kunnen dragen. Maar de weddenschap was gehaald en ik wist voor welk kamp ik voorlopig nog even zou blijven kiezen.

Ja, en hier zit ik dan toch, bijna drie jaar later, in mijn wandeloutfit met mijn degelijke bruine wandelschoenen. Waar je mee omgaat wordt je mee besmet en ik geloof dat het Vierdaagse virus mij nu toch te pakken heeft. Vier maal 40km is het vooruitzicht. Een weg waarvan ik inmiddels weet hoe lang die is (door schade en schande wordt men wijs!), maar die ik dit jaar wel een stuk getrainder ga lopen! Geen dronken nachten dus voor mij dit jaar, maar een waar Vierdaagse feestje aan de andere kant van het kamp. Mét een grote bos gladiolen bij de finish!




zondag 10 april 2011

Het nieuwe werken (pt. 2)

Het nieuwe werken. Heel leuk allemaal, maar verdomde onhandig als je - zoals wij, dankzij een hack actie van onze bovenburen - tweeënhalve week van internet bent afgesloten. Zie dan nog maar eens je werkmail te checken!
Maar goed, waar waren we gebleven? Oh ja, een bloemkool uit eigen tuin. Wie met een utopie als deze een bericht afsluit, kan daar vast nog wel een nieuw ideaalbeeld tegenaan gooien. En ik zou meisje nooit genoeg niet zijn, om in dit geval dus ook gewoon rustig verder te fantaseren over hoe het in mijn ogen ook zou kunnen. Op naar het nieuwe werken deel 2!

Sinds kort ligt bij ons een boek op tafel met de volgende titel: "The case of working with your hands. Or why office work is bad for us and fixing things feels good." Hoewel ik eerlijkheidshalve moet bekennen dat ik het boek nog niet gelezen heb, intrigeert de titel me wel enorm. De schrijver van dit boek - Matthew Crawford - beweert namelijk je als mens gelukkiger wordt wanneer je je kantoorbaan inruilt door een baan waarbij je met je handen kunt werken. Op de achterflap staat geschereven: "For too long we have convinced ourselves that the only jobs worth doing involve sitting at a desk. ... Yet many of us are not suites to office life, while skilled manual work provides one of the few paths to a secure living and an independent life."


Gelukkiger worden door simpelweg handenarbeid te verrichten. Klinkt leuk en aardig, maar zou dit echt zo zijn? Gedurfde uitspraak in een kenniseconomie, waarin opleiding en status steeds meer de graadmeters voor een gelukkig en succesvol leven lijken te zijn.
Als ik om me heen kijk echter, denk ik dat deze Matthew zomaar eens een punt zou kunnen hebben. Hoe komt het namelijk dat ik zoveel leeftijdsgenoten hoor en zie, die - ondanks hun goede banen - ontevreden zijn binnen hun werk en vaak het gevoel hebben niet echt nuttig bezig te zijn? En hoe komt het, dat er zoveel mensen zijn, die zoekende zijn of roepen zo graag een keer het roer om te willen gooien en meer buiten, creatief of op een andere manier bezig te zijn? Is dit toeval, of zit hier meer achter?
Kijkend naar mezelf - inmiddels alweer bijna 5 maanden fulltime aan het kantoorwerk - merk ook ik dat ik me soms echt bij mezelf afvraag wat precies het nut is van het werk dat ik doe. Iedere ochtend ga ik braaf naar kantoor, doe mijn werk, ga naar huis en denk aan het einde van de dag: wie heb ik hier nu precies mee geholpen?

Volgens Crawford is deze vraag echter helemaal niet zo vreemd. Tegenwoordig zijn veel banen namelijk zo gespecialiseerd en zo gericht op processen, dat er nog maar weinig werknemers zijn die in hun baan kunnen zien wat ze daadwerkelijk aan de maatschappij bijdragen. Je bent als werknemer vaak een piepklein onderdeeltje van een gecompliceerd en groot geheel, en wat jouw deel precies is binnen dat geheel, dat is soms maar lastig terug te vinden. Niet gek dus dat veel mensen ongelukkig zijn in hun baan. Iedereen wil immers nuttig en van betekenis zijn. Eén van de redenen waarom Crwaford zelf zijn baan als topman van een denktank inruilde voor die van reparateur van motorfietsen.

"Een ambachtsman moet zich steeds kunnen aanpassen en improviseren", zegt Crawford. "Het werk van een ambachtsman wordt nooit herleid tot een vooraf opgestelde lijst van regels en procedures. Het leven van een ambachtsman wordt bovendien ook vaak gekenmerkt door een rij van kleine voldoeningen, telkens wanneer een opdracht met succes is afgerond. In een grote onderneming valt die tevredenheid veel minder gemakkelijk te bereiken." (bron)

Gelukkig zijn én voldoening halen uit je werk. Wie wil dat nou niet? Ik kon me al niet voorstellen dat het voor mensen echt gezond is om dag in dag uit 8 uur per dag in dezelfde houding achter de computer te zitten, e-mails tikkend over oeverloze zaken, die er uiteindelijk vaak maar weinig toe doen. Wat dat betreft zijn er tegenwoordig ook nog maar weinig 'echte' banen. En daar bedoel ik mee: banen die er echt toe doen, waarbij  je als werknemer echt iets betekent. Dokter bijvoorbeeld, of timmerman. Geen banen dus als 'interim office manager', 'human resource accountant' of andere bedachte termen voor functies met moeilijke namen, die volgens mij uiteindelijk allemaal gecreëerd zijn puur ter werkverschaffing binnen complexe organisaties.

Tja, en die werkverschaffing, dat zou nog wel eens een punt kunnen zijn waarop het prachtige plan van Crawford in duizend stukjes uiteen kan vallen. Haal al die miljoenen kantoorbanen namelijk maar eens weg. Wat dan? Al die mensen zullen wel weer aan het werk moeten. En aan 100 timmermannen of 200 dokters in één plaats zit uiteindelijk ook niemand te wachten.
Nee, hoe mooi en veelbelovend het idee van Crawford ook klinkt, ook dit is een utopie die in onze computergestuurde maatschappij waarschijnlijk nooit volledig van de grond zal komen. Maar gelukkig hoeft dit ook niet. Iedere dag babi pangang is absoluut slecht voor je, maar altijd bloemkool uit eigen tuin gaat ook vervelen. De kunst is om te verdelen, mengen en experimenteren en daarbinnen de balans te vinden. Niet 40 uur achter de computer, maar je parttime kantoorbaan combineren met die van hovenier bij de gemeente. En wie weet, ontstaat er zomaar ineens een nieuw recept: pittige bloemkool in zoetzure saus, hét recept voor een gelukkig leven!


dinsdag 22 maart 2011

Het nieuwe werken (pt. 1)

Het is 6:00. Mijn wekker gaat. Veel te vroeg. Even kort snoozen, gapen, uitrekken, nog een keer gapen en er toch maar uit. Douchen, aankleden, ontbijt klaarmaken. Even föhnen, make-uppen, nog snel een kopje thee en dan om 6:45 de deur uit, op de fiets, om de trein van 7:00 te kunnen halen. In de trein krantje lezen, ontbijten en na 3 stops er weer uit. Nog een stukje lopen over het inspirerende industrieterrein, de weg over en dan rond 7:35 op mijn werk. Nog even een kopje koffie, wat bijpraten met collega's en dan om 7:40 de computer aan, om mij tot minstens 16:00 bezig te houden met mail, telefoon en nog meer mail.


Bekend terrein voor u? Vast wel. Ik ben namelijk niet de enige die iedere dag deze zelfde gang naar en van werk maakt. Samen met duizenden andere forensende Nederlanders behoor ik tot de grote groep migrerende zakenmensen die zich iedere dag -  in de spits - met trein, auto of fiets, massaal naar het werk haasten, om daar met z'n allen achter de computer kruipen en 8 uur lang, 5 dagen per week onder de tl-verlichting ons werk uit te voeren. Klinkt effectief? Nou, wat mij betreft niet.

Misschien ben ik een broekie, leek of verwende student en mag ik hier eigenlijk niet over meepraten, maar mijn gedachte na zo ongeveer 110 treinritjes is toch echt: kan dit niet efficiënter? Hoe vreemd is het namelijk wel niet dat duizenden mensen iedere dag kilometers ver reizen, om, eenmaal aangekomen op de plek van bestemming, met z'n allen massaal achter de computer te kruipen? Is het wereldwijde web er juist niet voor bedoeld dat we overal en te allen tijden onze mail kunnen checken? Of zitten we verlegen om files en willen we graag veel reistijd? Voor zover ik weet niet. Dat moet dan toch anders kunnen?
Jawel, zullen de oplettenden nu onder ons zeggen. Het kan ook anders, namelijk: 'Het Nieuwe Werken'. Het nieuwe wat? Het Nieuwe Werken. Hoewel er nog geen eenduidige invulling voor deze term is, komt het erop neer dat in het Nieuwe Werken mensen en organisaties flexibeler omgaan met arbeidstijd en werkomgeving. Hierdoor voelen mensen zich prettiger. En wordt de organisatie productiever. (bron) In de praktijk komt het erop neer dat mensen meer vanuit huis kunnen werken en daardoor zelf beter hun tijd kunnen indelen.


Heel leuk allemaal, maar wat schiet je hier uiteindelijk mee op? De tijd wordt misschien beter verdeeld, maar de oorzaak wordt er niet mee weg gehaald. Bovendien vind ik het contact met mijn collega's ook wel zo gezellig en zou ik niet iedere dag vanuit een strandstoel met een laptop willen zitten werken.
Zou het niet veel simpeler zijn als mensen überhaupt niet meer hoeven te reizen omdat ze gewoon een baan in hun eigen woonplaats hebben? Wat een hoop gedoe zou dat schelen! Geen files meer, geen overvolle spitstreinen, maar gewoon fluitende mensen die zonder ochtendhumeur (omdat ze zonder reistijd een uur langer kunnen slapen) lopend of per fiets naar hun werk gaan. Een beter milieu begint bij een werkplaats naast de deur.

Maar niet alleen op  het milieu en de reistijd zou worden bespaard, ook qua huisvesting zou dit Nieuwste Werken (leek me wel een toepasselijke benaming) wel eens voor een oplossing kunnen zorgen. Het is toch van de zotte dat iemand uit Utrecht, waar - lijkt mij - werk genoeg is, moet treinen naar Amsterdam om daar aan de slag te kunnen? Of dat iemand uit Amsterdam op en neer reist naar Bunnik (of all places!)? En dan heb ik het nog niet eens over de mensen die in een bepaalde plaats werken, daar ook best willen wonen, maar op die plek gewoonweg niet aan een huis kunnen komen dat het vol zit met forenzen. Ja, zo begrijp ik dat je woningen tekort komt! Als in iedere woonplaats voldoende woon- en werkplekken zijn, dan lijkt het mij niet meer dan logisch dat je ook woont waar je werkt, of andersom.

Maar goed, voordat ik helemaal in bovenstaande theorie opga; dit alles is en blijft natuurlijk uiteindelijk maar een utopie. Hoewel ik het idee echt wel zie zitten (dat heb je meestal met eigen ideeën) en graag zou zien dat het ook mogelijk zou zijn, is het waarschijnlijk net zo'n onrealistische droom als het compleet afschaffen van kantoorwerk en teruggaan naar een zelfvoorzienende maatschappij, waarin alleen de echt noodzakelijke taken nog worden uitgevoerd. Kantoorwerk en de forensende mens zijn net zo ingeburgerd als de chinees om de hoek. Maar toch, stiekem, als ik 's ochtends weer als varkens in een stal opgestapeld sta in de trein, hoop ik op een dag niet wakker te worden als babi pangang, maar als een vers bloemkooltje geplukt uit eigen tuin.

woensdag 9 maart 2011

Oh, wat ben je stijf!

Met een titel kun je een hoop zeggen. Je kan de lezer een inzicht geven in het onderwerp van je stuk, je kan hem of haar prikkelen, een voorzet geven, óf op het verkeerde been zetten. Een titel zegt namelijk niet alleen iets, het biedt ook ruimte voor eigen interpretatie, gedachten of fantasie.
Neem bijvoorbeeld de titel boven dit bericht. Wat was jouw eerste gedachte toen je het las? Dat dit bericht zou gaan over stijfkoppigheid? Yoga? Iets anders...(niet liegen!)  Het was in ieder geval vast niet in je opgekomen dat het de zelfbedachte kop was voor een eventueel verslag over mijn bezoek aan de chiropractor vorige week.

Hoe leuk je echter ook over een bottenkrakende behandeling kan schrijven (geloof me, mijn vingers jeuken!), over de chiropractor zal dit verslag niet gaan. Ook zal ik niets schrijven over yoga, de stijfkoppigheid van sommige mensen of mijn fascinatie voor het mannelijk geslachtsd... Nee,al jullie aannames ten spijt, dit keer gooi ik het over een andere boeg. Geen titelverwijzende onderwerpen dit keer, maar een stuk dat gaat over de magie ván de titel en dat statistieken nooit liegen.


Wat ik namelijk in die paar maanden dat ik dit blog nu schrijf heb geleerd, is dat je door alleen al een bepaalde titel boven je stuk te zetten, een nieuw soort publiek kan aantrekken. Hoewel ik er natuurlijk van uit ga dat de mensen die per mail de link naar dit blog ontvangen, mijn stukjes ook trouw en aandachtig lezen (toch?), is het uiteindelijk de droom van iedere 'schrijver' dat ook mensen van buitenaf zijn of haar verhalen lezen en waarderen. Ik zal er dan ook niet om liegen als ik zeg dat ik, na het schrijven van een nieuw stuk, regelmatig op mijn blog inlog om de statistieken voor die dag of week te bekijken. Hoeveel mensen hebben het gelezen, hoeveel reacties heb ik? Een beetje ijdelheid siert de mens.

Nu durf ik eerlijk toe te geven dat ik normaal niet echt een bestseller status bereik met mijn schrijfsels. Vaak mag ik met een paar reacties al heel blij zijn (en dat waardeer ik ook zeer!). Je kunt echter begrijpen dat ik stomverbaasd was toen na het schrijven van een bepaald stuk de bezoekersaantallen ineens de pan uit bleken te rijzen. Hoe kon dat nou ineens? Hadden mensen mijn blog getipt, had ik eindelijk echt een meesterwerk geschreven of was er toch iets anders aan de hand? Mijn gevoel zei me dat hier iets niet klopte. Ik besloot een kleine blik op mijn statistieken te werpen en daar kwam de aap al snel uit de mouw. Het bleek niet dat mij geschreven stuk zo briljant was, maar de titel die ik het bericht had gegeven: 'Lekker piemels kijken'.

De verklaring voor deze titelrun? Onder het kopje 'verkeersbronnen' kan je als blogschrijver onder andere zien via welke zoekopdrachten mensen bij jouw site uit zijn gekomen. Nu blijkt het dat er nogal veel perverselingen op het internet rondstruinen die op google zoekopdrachten intypen zoals: 'piemels kijken', 'grote piemels in de sauna', 'piemels gluren', 'gluren in de sauna' en ga zo maar door. Tja, en als jij dan net een blog schrijft waar blote piemels en de sauna een prominente rol in spelen, dan kan je er de donder op zeggen dat dit soort viezeriken met hun zoekopdrachten op jouw site belanden. Of ze de verhalen uiteindelijk ook lezen, dat betwijfel ik. Het zijn in ieder geval niet echt de bezoekers waar ik op zat te hopen.

Overigens zijn het niet alleen vieze mannetjes die via google op mijn site belanden. Ja, 'Ode aan de man met borsthaar' heeft af en toe ook zo zijn twijfelachtige verwijzingen ('meisjes met borsthaar'). Maar er zijn ook andere mensen die veel onschuldiger met de zoekmachine omgaan. Zo scoort ook mijn blog over de Xenos erg hoog en mag ik tevens niet klagen over de naam die ik mijn blog heb gegeven. Meisje Nooit Genoeg begint het namelijk steeds beter te doen in de charts (hoewel ik niet kan verklaren hoe een van mijn schrijfsels op een site over acne-bestrijding terecht is gekomen, maar daar moet ik nog even achteraan).

Wat ik in ieder geval heb geleerd, is dat het in de wereld van het internet niet zozeer gaat om hoe je schrijft, maar vooral om wat en waarover je schrijft. Voortaan dus geen intelligente teksten meer van mij, maar louter nog blogs over piemels, borsthaar en reclame voor goedkope frutselwinkels! Ik zeg: Weg met mijn imago als derderangs schrijver, laat die bestseller status maar komen!